wisselteelt, biologisch moestuinieren

Wanneer je biologisch wilt telen, kun je niet steeds op dezelfde plek dezelfde groenten telen, omdat je dan ziektes en plagen genereert. Er zullen altijd schadelijke insecten of ziekten in je gewassen komen. Dat hoeft nog geen probleem te vormen, maar wanneer je dan steeds op dezelfde plaats die groente zet, dan hebben die organismes ieder jaar weer te eten en breiden zij zich steeds verder uit. De meeste ziekten en plagen zijn namelijk bodemgebonden. Wat betekent dat ze overleven in de bodem op eenzelfde plek. Wanneer je steeds op dezelfde plek teelt, ontstaat zgn. ‘Bodemmoeheid’. Ook zijn plantenziektes en plagen vaak afhankelijk van een plantenfamilie. Dit is ook een belangrijk gegeven waar je rekening mee moet houden.

 

In de natuur groeien alle soorten door elkaar en is er constant een natuurlijk evenwicht. Maar wanneer je gewassen in cultuur brengt, kun je niet alles door elkaar zetten. Dat is meestal onoverzichtelijk en zodoende inefficiënt. Daarnaast ben je dan nog steeds beperkter in het aantal soorten dan in de natuur. Echter blijft het zorgen voor biodiversiteit in je tuin belangrijk.

 

De oplossing ligt in het maken van een vruchtwisseling. Dat is een plan waarin je jou tuin verdeeld in 5-8 vakken waarbij je in elk vak een andere groente zet. Op die manier kun je zo elk jaar in een vak weer iets anders telen, zo voorkom je problemen.

Deze wisseling moet je dan ieder jaar aanhouden. Bij bijv. 6 vakken komt die groente ook pas na 6 jaar weer op dezelfde plek terug.

 

Dat is een hele puzzel, omdat niet alle groenten elkaar kunnen opvolgen. Zo kun je bijvoorbeeld sla beter niet na bonen zetten, omdat sla en bonen last hebben van dezelfde soorten schadelijke aaltjes.

 

Stappenplan

Je begint heel eenvoudig; je schrijft eerst op welke groenten je graag wilt telen. Vervolgens ga je die groenten indelen naar familie omdat ziekten en plagen meestal zich kunnen vermeerderen op alle familieleden. Dus hier een voorbeeld:

 

Ik wil telen: kropsla, spitskool, andijvie, bospeen, rode biet, radijs, boerenkool, knoflook, rucola, sperzieboon, herfstprei, pompoen, broccoli, tuinboon, peterselie, courgette, pastinaak, spinazie.

 

Deze gewassen zijn weer onder te verdelen in 7 familiegroepen

  • Vlinderbloemigen: sperzieboon, tuinboon
  • Samengesteldbloemigen: Sla, Andijvie, Aardpeer, Witlof
  • Kruisbloemigen: Spitskool, Radijs, Boerenkool, Rucola, Broccoli
  • Schermbloemigen: Bospeen, Peterselie, Pastinaak
  • Amarantenfamilie: Rode biet, Spinazie
  • Lookfamilie: Knoflook, Herfstprei
  • Komkommerfamilie: Courgette, Pompoen

 

Dan kun je beginnen met het in een juiste volgorde zetten van de gewassen in een vruchtwisseling. Een voorlopige vruchtwisseling ziet er dan als volgt uit:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naast familiegebonden ziekten en plagen, zijn er ook ziekten die bij de teelt van andere planten door kunnen leven. Daar moet je dan ook weer rekening mee houden. Voorbeelden zijn

  • Bij teelt van rode biet na kool kunnen bepaalde aaltjes verder leven.
  • Teelt van radijs na gras krijg je last van emelten, ritnaalden en schimmelziekten
  • Sla na witlof geeft kans op schimmelziekten en aaltjes
  • Witlof na maïs geeft ook kans op aaltjes
  • Etc.

En zo zijn er tal van ziekten/plagen die invloed hebben op hoe je vruchtwisseling wordt.

 

Indeling naar plantdeel

Het is ideaal om de gewassen in te delen naar dat plantdeel waar de groente die je teelt naartoe neigt. Dus wortel, blad, vrucht en bloem. Het is gebleken dat dit een goede invloed heeft op de bodem, omdat die planten afwisselend steeds de juiste stoffen achterlaten, maar ook steeds andere stoffen gebruiken. Helaas is het nauwelijks mogelijk dit precies elkaar af te laten wisselen.

 

1) DE INDELING IS HIER AANGEPAST OM ONGUNSTIGE OPVOLGING DIE NIET FAMILIE GERELATEERD ZIJN

2) Zoals te zien, is de wisseling van plantdeel hier redelijk afwisselend: Vak 1: Blad, Vak 2: Wortel, Vak 3: Vrucht, Vak 4: Bloem (broccoli), Blad 5: Blad, Vak 6: Wortel, Vak 7: Bloem, Vak 8: Vrucht.

 

Bemesting

Dan ga je in de volgende fase kijken naar bemestingbehoefte. Zo laten vlinderbloemigen zoals bonen stikstof in de grond achter, wortel heeft weinig stikstof nodig, dus moeten er geen bonen zijn voor het wortelvak. Dat geldt ook voor witlof na bonen.

Kolen hebben veel stikstof nodig, dus die kun je na de bonen zetten.

 

In het bovenstaande voorbeeld is daar ook rekening mee gehouden: Vak 8 met pompoen en courgette vraagt veel voeding, prei het jaar daarop ook. De voeding in de bodem is afgenomen, maar nu wordt wortel gezaaid die weinig voeding nodig heeft. Om de grond weer met meer voeding te verrijken, komen het jaar daarop bonen die stikstof nalaten (zie ook ‘Groenbemesters’). Dat is nodig, want kool het jaar daarop heeft veel voeding nodig, etc.

 

Structuur

Bij sommige gewassen is er sprake van bodemstructuurbederf. Dus bijv. bij spruiten heb je altijd structuurbederf omdat ze ver ui elkaar moeten staan en omdat ze weinig afdekken. Op die manier regen en wind veel invloed op de grond. Ze staan in de winter ook op het land en bedekken bij sneeuwval of regen niet het land. Na spruitkool moet je dus geen wortel of sla telen, omdat deze juist een hele goede structuur eist, anders mislukt de wortel of slateelt.

 

Bonen en prei laten een hele mooie structuur na, dus kun je bijvoorbeeld prei voor de wortel zetten. Om een goede structuur in stand te houden is het goed om voldoende groenbemesters in je vruchtwisseling op te nemen, met name granen en grassen omdat die door hun wortelstelsel een mooie losse grond nalaten. Sowieso is het erg aan te raden een jaar een rustgewas in te passen, zodat de bodem weer kan herstellen, anders ‘neem’ je alleen van de grond.

 

In het voorbeeld hierboven is daar ook rekening mee gehouden in zoverre als mogelijk: Prei laat een goede structuur na voor de wortels dat noodzakelijk is voor een goede groei van wortel. Maar helaas is hier geen goede voorvrucht mogelijk voor de sla en andijvie: kool (kruisbloemigen) laat geen goede structuur na. Dit laat zien dat het niet altijd mogelijk is een perfecte vruchtwisseling te maken, maar je moet er wel naar streven. Wellicht blijkt in de praktijk dat het gevolg meevalt, is dat niet zo, dan kan altijd nog een aanpassing plaatsvinden.

 

Onkruid

Dan kijk je ook naar onkruiddruk. Sommige gewassen zijn namelijk lang ‘open’ omdat ze niet snel dichtgroeien. Hierdoor is de grond niet bedekt en kan er veel meer onkruid groeien. Het is goed hier rekening mee te houden omdat sommige gewassen schoon land nodig hebben, dus bijv. bospeen of spinazie, anders groeien ze niet goed en worden ze snel overgroeid door onkruid.

 

Daarom moet je voor spinazie bijvoorbeeld sla, bonen of sluitkool telen, omdat deze de grond goed bedekken.

Bospeen is een heel open gewas dat heel traag groeit waardoor onkruid meer kans krijgt en daardoor eerder vuil land achterlaat.

Dan kun je na bospeen aardappels telen, omdat deze het onkruid onderdrukken.

 

Combinatieteelt

Sommige groenten hebben een gunstige invloed op elkaar. Zo geven bijvoorbeeld de lelieachtigen een geur af die de wortelvlieg (veel voorkomend probleem bij peen) op afstand houd. Dan is het handig om ui of prei naast de wortel te zetten. Omdat een moestuin vaak klein van omvang is, is het ook mogelijk om gewassen te combineren in één vak. Dus dan zou je bijv. uien kunnen combineren in een vak met wortels en deze steeds in een rij langs elkaar zetten. Enkele gunstige combinaties zijn

  • Wortel/Ui om de uienvlieg op afstand te houden
  • Herfstprei/Winterwortel: preimot en uienvlieg
  • Herfstprei/Knolselderij
  • Stampeulen of Stamslabonen/Knolselderij
  • Groene kool/Knolselderij
  • Koolrabi/Rode biet
  • Plantui/Rode Biet
  • Suikermaïs met Courgette, Augurk of pompoen (gebruikelijk in Zuid-Amerika)
  • Ui/knoflook/prei in de buurt van de Rozenfamilie, dus appel, aardbei, peer (recent ontdekt)

Ook kunnen kruiden een gunstige invloed hebben op groenten:

  • Bonenkruid of Dille/Tuinbonen: Tegen de bonenluis
  • Peterselie/ Tomaat
  • Aardappel/Mierikswortel
  • Aardappel/Luzerne
  • Salie of Hysop bij Kool 

Er zijn ook ongunstige combinaties:

  • Venkel bij tomaat
  • Knoflook bij bonen
  • Alsem bij venkel, karwij, salie en citroenmelisse

Andere redenen voor combineren

Een andere reden om te combineren kan zijn om de bodem bedekt te houden en om alle ruimte te benutten. Zo heeft bijvoorbeeld kool veel ruimte nodig. Je kunt dan sla zetten tussen de net aangeplante kool: nog voor dat de kool oogstklaar is, kun je de sla al oogsten. Ook raapsteel, spinazie, rucola en meer van dit soort kleine gewassen kun je tussendoor zaaien.

 

Zo kun je allerlei combinaties toepassen om een zo hoog mogelijke productie van je tuin te halen en de grond zoveel mogelijk bedekt te houden. Je kunt bijvoorbeeld ook overal rijen spinazie op ruime afstand inzaaien in het vroege voorjaar zodat alles bedekt is en vervolgens later daartussen al je groenten zetten. Als de spinazie groot is oogst je hem en anders schoffel je hem onder; dan heeft ze alleen als goede bodembedekker gediend.

 

Permacultuur

In de permacultuur wordt hier veel gebruik van gemaakt. Daar is het streven dat je de bodem continue bedekt houdt en ervoor zorgt dat overal gunstige combinaties naast elkaar staan. Je kunt ervoor kiezen deze methode toe te passen, maar wanneer je een overzichtelijke moestuin wilt is het aan te raden om meer structuur aan te brengen zodat je minder snel fouten maakt in de vruchtwisseling maar ook omdat je zo overzichtelijker kunt werken. Het gaat erom welke methode bij jou past.

 

Vierkante meterteelt

De laatste jaren is teelt in bakken steeds populairder geworden. Op die manier kunnen ook de mensen die niet beschikken over een tuin hun eigen groenten telen. Een vruchtwisseling heeft echter weinig zin wanneer je maar één bak hebt. De afstanden zijn zo gering dat wanneer de kool een ziekte krijgt, het jaar daarop kool makkelijk weer die ziekte krijgt omdat het nog in de grond van de bak zit.

 

Als je dus 8 verschillende groenten wilt telen, dan kun je het beste het jaar daarop bloemen inzaaien of een nieuwe bak maken.

Of, je kunt een vruchtwisseling toepassen, waarbij je elk jaar een aantal groenten overslaat. En wanneer je de ruimte hebt kun je natuurlijk meerdere bakken zetten zodat je een bak met kool hebt, een met wortel, etc.

 

Er zijn gelukkig gewassen die een korte opvolging kunnen verdragen; bijvoorbeeld spinazie, sla, biet, venkel, andijvie, bleekselderij, radijs, raapstelen en ook bonen. Maar bijvoorbeeld prei, wortel, erwt, tuinboon, aardappel, ui, en zeker ook kool, hebben echt een ruime vruchtwisseling nodig. Deze gewassen kun je maximaal eenmaal in de vijf jaar op dezelfde plek zetten. Zeker op zandgrond blijven ziekten en plagen lang in de grond zitten.

 

Verder moet je bij teelt in bakken er mee rekening houden dat er gewassen zijn die veel ruimte innemen. Bijv. pompoen en courgette hebben 1 m2 nodig en erwt eveneens, maar daar kun je wel weer wat anders onder zetten.

 

Het teeltplan

Wanneer je nu een vruchtwisseling voor jezelf hebt kunnen maken, kun je aan de hand daarvan een teeltplan maken: een planning van wat je wanneer kunt zaaien, planten en oogsten. Door het maken van een teeltplan kun je je oogst spreiden omdat dan inzichtelijk wordt wat wanneer oogstklaar is. De groeiperiode kun je vaak vinden op de verpakking of op de website van het zaadgoedbedrijf. Je moet er rekening mee houden dat een groenten in het voorjaar gezaaid er langer over doet tot ze klaar is om uit te planten dan wanneer je hetzelfde in de zomer zaait. Veel groenten kun je ook alleen in het voorjaar en/of herfst zaaien omdat ze bij het zaaien in de zomer zullen doorschieten.

 

Teeltschema

 

 

Alleen wanneer je een grote tuin hebt is het zinvol een schema te maken waarin je zet hoelang het bed is, wat de rijafstand is en wat dan weer het aantal rijen is en hoeveel planten dat zijn. Dan kun je namelijk nagaan hoeveel zaden er in 1 gram zaad zitten en dan kun je uitrekenen hoeveel zaad je ongeveer nodig hebt.Leli